Monthly Archives: December 2012

BLOGS EN ESSAYS

Zoals iedere zichzelf respecterende, moderne journalist schrijf ik ook nog wel eens wat op mijn blog. Op dit blog is er ruimte voor rake en vage observaties van dagelijkse beslommeringen. Pretentieuze contemplaties en min of meer gefundeerde meningen. Verhandelingen in essayvorm, voor publicatie in bladen of op blogs.

De complexiteit beschouwd in te weinig woorden. Ik probeer met regelmaat iets online te zetten tussen alle drukte door. Wees welkom.

Alledaags boos

Ik had net mijn moeder aan de telefoon voor een volkomen alledaags gesprek. Over hoe het gaat en over of groenten kopen op de markt echt zoveel beter, maar in ieder geval gezelliger, is dan het geautomatiseerde aankoopproces in de supermarkt. Ik vertelde haar dat ik af en toe in zak en as zit als ik weer eens een goed idee voor een artikel niet verkocht krijg aan opdrachtgevers, omdat er niet genoeg budget is om freelance journalisten te betalen. Of zoiets. Over het feit dat ik van de week volledig verstijfd op de bank zat na te denken over of ik (en waarschijnlijk velen met mij) eigenlijk freelancers zijn die onze grote droom nastreven (in mijn geval het schrijven van goed journalistiek werk dat er werkelijk toe doet), of dat we eigenlijk lijden aan een verborgen vorm van werkloosheid die bedekt wordt met een hele dikke deken van bijna cynisch opportunisme.

Mijn moeder stelde me gerust. Maar mijn moeder werkt in de thuiszorg en ze maakt zich zelf zorgen. Al lacht ze daar vaak overheen. De kans bestaat dat ze volgend jaar geen baan meer heeft, want ook op de thuiszorg moet bezuinigd worden. Want iemand moet de crisis betalen. En die iemand, dat zijn wij allemaal. En dan? Dan verwacht iedereen dat ze nog tien jaar doorwerkt. Want de banen liggen immers voor het oprapen anno 2012. Laat me niet lachen.

Andere mensen die ik ken willen zielsgraag weg bij een werkgever die ze volledig opslokt. Maar het is wel een vast contract en voor hetzelfde geld word je vervolgens afgescheept met een onzeker flexcontract net boven het minimumloon. Weer andere mensen schrijven nu een scriptie in de wetenschap dat een baan na het afstuderen op zijn zachts gezegd nogal onwaarschijnlijk is. Hoogst motiverend. Een studieschuld daarentegen is wel een zekerheid. Ik ken heel veel mensen die heel slim zijn maar met niet veel meer bezig zijn dan overleven (en dan bedoel ik natuurlijk niet overleven in de meest letterlijke zin des woords). Mensen die opboksen tegen stijgende zorgkosten, doorrollende inflatie en stijgende btw-tarieven terwijl ze ieder moment op straat gezet kunnen worden door een manager die woorden als ‘efficiëntie’, ‘concurrentiepositie’ en ‘ processtroomlijning’ tot woorden heeft gemaakt die deel uitmaken van zijn dagelijks vocabulaire (waar ik op mijn beurt dan weer een beetje om moet lachen. ‘Vriendschap’ of ‘gezellig’ lijken namelijk dan weer geen deel van uit te maken van zijn jargon).

Ik, persoonlijk, red het wel denk ik. Ik heb genoeg delen van de wereld gezien waar mensen écht moeten vechten om te overleven. En dus sta ik de volgende keer als er ergens iets interessants gebeurt weer met mijn blocnootje en mijn pen met mijn poten in de drek te noteren wat de aanwezigen te zeggen hebben over het gebeurde. Met heel veel plezier zelfs. Maar af en toe verdwijnt ook mijn moed richting afgetrapte gympen. Ik heb genoeg mensen meegemaakt voor wie drank- of drugsverslaving (of nog erger) in elk geval te overwegen vormen van escapisme waren. Of mensen die maar blijven doorrollen en doorwerken in de hoop dat er ooit betere dagen vanachter de horizon vandaan opdoemen. Mensen die plezier hebben met kiespijn en voor wie vraagtekens eerder regel dan uitzondering zijn. Ik kijk het nieuws en zie dat Europa ons uit de crisis zal moeten gaan redden. Ik hoor woorden als begrotingsdiscipline en lees in de krant dat een beter investeringsklimaat meer werkgelegenheid moet gaan creëren. Ik hoor al jaren op de radio dat na het zuur het zoet komt.

Ik vraag me af of dat zoet nog op tijd gaat zijn, om iedereen die en alles dat inmiddels onherstelbaar beschadigd is door al dat zuur, nog te redden. Maar wat ik me nog het meeste afvraag is het volgende: waarom zijn we nog niet met zijn allen godvergeten boos om wat er om ons heen plaatsvindt?

Rellen!

Er is wat af gereld de afgelopen dagen.

Maar terwijl Nederland zwelgt in een miserabele staat van in zichzelf gekeerd vingerwijzen over waarom de vaderlandse jeugd het nodig vond een Gronings dorpje binnen één enkele vrijdagavond in een grote puinzooi te veranderen, gebeurt er in Spanje wel echt iets. Duizenden boze burgers omsingelen het congres uit onvrede met het Spaanse beleid. De ME weet niet precies wat ze ermee aan moeten en de rechtse regering noemt het een poging tot een staatsgreep. Best heftig allemaal. De Spanjaarden hebben temidden van zich steeds verder opstapelende problemen kennelijk ook even met een half oog naar de Grieken gekeken. Want daar gaat het ook niet helemaal van een leien dakje allemaal. In Portugal begint het leger (jawel. Het leger) zich zelfs tegen de regering te verzetten. Het rommelt in het zuiden.

Ik ben geen econoom. Dus ik weet ook niet helemaal precies hoe we de huidige crisis het beste zouden kunnen aanpakken. Maar dat er dingen niet helemaal goed gaan is onderhand wel duidelijk. De banken zijn min of meer gered. De landen zitten met flinke begrotingstekorten en moeten bezuinigen terwijl de werkloosheid toeneemt en de bonussen gewoon weer stijgen. Politici zitten met de handen in het haar en proberen dat te verbloemen door in televisiedebatten in one-liners van maximaal veertig seconden de onkunde van de tegenstander aan te tonen. Dat is dan weer niet goed voor je democratie. En in tijden waarin de economie al voor genoeg problemen zorgt is een tanend geloof in de democratie al helemaal niet gunstig. Dat mensen vervolgens uit onvrede massaal op een plein gaan staan en desnoods een parlement omsingelen hier en daar vind ik dan ook helemaal niet zo raar. Of het enig effect gaat sorteren is vooralsnog niet bekend. Maar het is op zijn minst een signaal.

Goed, ik maak me dus zo nu en dan wel eens zorgen over de toekomst. Nu heb ik helaas de waarheid ook niet in pacht dus ik doe evenzogoed als de rest van Europa aan duchtig koffiedikkijken. Dat er wat broeit in Europa wordt echter steeds duidelijker. Het is namelijk best lang geleden dat we in het welvarende westen van Europa echte massaprotesten mee mochten maken. Dus dat belooft wat.

Ik was vrijdag in de aula van de Lutherse Kerk in Amsterdam waar de Britse politiek filosoof John Gray een lezing gaf. Over politiek, over Europa, over de wereld. Op bijzonder erudiete wijze zette de oude meester uiteen dat het al decennia lang vrij vredige Europa zichzelf niet gevrijwaard moet wanen van toenemende sociale spanningen en conflicten in de toekomst. Zeker als crisis op crisis volgt, land na land in de financiële problemen komt en bezuiniging op bezuiniging gestapeld wordt alleen om het bestaande systeem te redden van de ondergang. Een systeem niet buiten zichzelf schijnt te kunnen reflecteren en ondanks toenemende problemen op het gehele continent stug en arrogant blijft over zijn eigen onvermijdelijkheid. Als de zaken na een tijdje dan nog steeds maar zo’n beetje voort sudderen lok je wel protesten uit ja.

Behalve in Nederland. Want in Nederland zijn mensen alleen nog maar hun huiskamers uit te lokken als er een feestje gaande is. Ook al is dat in een nietsvermoedend en onvoorbereid dorpje en ten koste van anderen. Daarna volgt automatisch de schuldvraag. Dan begint het grote nationale navelstaren en vingerwijzen weer. Naar de oude media of de social media. Naar de jeugd van tegenwoordig en naar Facebook. We wijzen naar de bondscoach of de internationals omdat we het EK niet gewonnen hebben. Naar ongewassen krakers of graaiende bankiers want die moeten of een baan gaan zoeken of zijn alles schuld. Naar luie Grieken, gevaarlijke moslims, de baas die een lul is of de automaatkoffie die niet te hachelen is.

Ik hou me nog steeds liever bezig met koffiedikkijken dan met navelstaren geloof ik.

Duisternis in een dal.

Het is een donkere nacht. Nee echt, heel erg donker. Donkerder dan het donkerste zwart donker is. Eén keer eerder zag zo’n donkere nacht. Toen rookte ik een sigaret aan de oever van de Niger op een warme avond in voormalig Frans Afrika. Toen zag ik verre kampvuurtjes oplaaien in de tropennacht. Het was toen vredig in dat land. Tegenwoordig heeft een militaire coup het nagenoeg in een burgeroorlog gestort. Het kan verkeren in de wereld.

Anno nu sta ik dik ingepakt in een berglandschap anderhalf uur rijden buiten de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaator. Ik klem mijn verkleumde handen om een glas wodka en knijp mijn ogen halfdicht. Ik zie sterren die ik nog nooit eerder zag. De hemel kijkt op me neer en de donkere silhouetten van de bergen om me heen verraden een lang vergeten grootsheid. In de verte, in het dal, tuft één enkele auto voort. Een eenzame reiziger in de duisternis. Er bestaan geen afleidingen hier. De auto hobbelt door en een hond blaft. Kennelijk hoort of ruikt hij iets in de ingehouden ademende oerbossen achter me. Ik druk mijn peuk uit in de sneeuw en schuifel terug de berghelling op. Naar mijn tent waar het vuur behaaglijk knettert. Vuur ja. Geen verwarming. Ik heb daadwerkelijk mijn scoutingskills weer moeten opgraven om van blokken hout, krantenpapier en een zak kolen een intens verwarmend inferno te kunnen creëren. Ik wrijf in mijn handen en sla een boek open. Ik hoor niks. Het is even stil als het donker is.

Het was een vermoeiende dag, zeg ik tegen mezelf terwijl het geknetter van mijn zelfgefabriceerde kampvuurtje me in slaap sust. De hond slaat aan. Een beest huilt, ver in het bos. Misschien een wolf. Hier heeft de mens nog niet gewonnen. Hier zijn de sterren nog niet vervuld van toorn. Ik stond eerder die dag op een bergtop. Er lag sneeuw en de wind was guur. Een sluimerend oermensgevoel kwam boven. Een lang verloren gevoel van victorie dat jaren van grijze kantoormuren en monotoon flakkerende computerschermen vakkundig de kop in hebben weten te drukken.

Dit soort kampementen van traditioneel uitziende nomadententen wordt door Mongoolse stadsjongeren vaak gebruikt om een weekend keihard te zuipen. En hard zuipen, dat kunnen ze. Dat is genetisch ingebakken door het eeuwenlang rondtrekken over woeste steppen. Maar wodka tegen de kou is veranderd in wodka tegen de ellende. De hoofdstad herbergt inmiddels de helft van de totale bevolking van dit gigantische land. Maar veel plattelandsherders in de stad zonder dat er genoeg werk is betekent ellende. En armoede. En gigantische megastores. En dikke auto´s en karaokebars. En alcoholisme. Vechtpartijen. Zwerfhonden. En meer karaoke. Die karaoke is wel het ergste denk ik.

De moderniteit roept. Enorme reclameborden beloven gouden bergen. Slechte Koreaanse televisie druipt uit alle gaten en kieren. Goedkope namaak van westerse producten is te koop op straathoeken en in rommelige boetieks. De grondstoffenhandel gaat Mongolië een prachtige toekomst brengen, schreeuwt het reclamebord me toe. Het staat scheef in een hoopje half gesmolten sneeuw aan de rand van een binnenstedelijk getto. Voor de met een fles wodka in zijn hand in slaap gevallen nomade hoop ik echt dat het bord gelijk heeft. Hij hangt op een straathoek van een niet geasfalteerd steegje dat stinkt naar pis en brandende kolen en een modern uitziende boulevard waar verkeersregels niet lijken te gelden. Niemand weet wat er gaat gebeuren als die grondstoffen op zijn.

Dit is een stad vol herders. En de stad is er niet klaar voor. Maar iedereen wil graag een graantje meepikken van het leven dat de moderniteit belooft. Niemand kan nog ontsnappen. En niemand wil dat ook nog. Een Mongoolse jongen vertelt me dat hij best wel bang is dat de toekomst van zijn land wel eens op die van pakweg Nigeria zou kunnen gaan lijken. Een grondstoffenhel. Afgelegen, leeggeschept en vergeten. Maar dan kouder.

Toch gaat iedereen naar de stad. Het eeuwenoude nomadenleven definitief vaarwel zeggend. De kroegen van Peace Avenue zien er aantrekkelijk uit en de bouwprojecten in Ulaanbaator zijn legio. De roep van de moderniteit schalt over de uitgestrekte steppen en de nomaden luisteren. En ik kan ze geeneens ongelijk geven, denk ik als ik bibberend in mijn tent wakker wordt. Het vuur is uitgegaan. Centrale verwarming is een zegen.

Dappere nieuwe wereld

Nippend aan een kop koffie wordt ik zittend in mijn boxershort en badjas weer een keertje ‘even in de wacht gezet’ door een behulpzame doch niet heel effectieve medewerker van instelling B waarnaar ik net ben doorverwezen door instelling A die me ‘jammer genoeg echt niet konden helpen, meneer’. De post heeft mijn paspoort kwijtgespeeld en nu moet ik dus heel erg snel een nieuwe regelen omdat ik vliegtickets heb geboekt zonder een annuleringsverzekering af te sluiten. Lang leve de geprivatiseerde postvrienden van de TNT. Op deze manier krijg ik mijn vrije dag wel om inderdaad. Heel fijn, heel fijn. Want stel je toch voor dat ik me zou gaan vervelen. Dat kan en mag natuurlijk niet. Zeker niet in een samenleving die het productief inrichten van zo’n beetje het hele leven nastreeft. Het basale nuttigheidsdenken dat zijn ketens ongemerkt om onze geest heeft vastgelegd en ons niet meer toestaat om zo nu en dan gewoon niks te doen.

Een cryptisch web van ambtelijke terminologie en een onoverzichtelijk doolhof van halflauwe bullshit. Welkom in Bureaucratia beste burger.

Na navraag bij verschillende gemeentelijke instellingen kom ik achter het bestaan van zogenaamde nooddocumenten. Voor wat achteraf een schattig roze noodpaspoort blijkt te zijn heb ik echter weer identiteitsdocumenten nodig ter identificatie, want ja, mijn paspoort is immers kwijtgemaakt door een incompetente muts die de verkeerde sticker op een envelop heeft geplakt. En die documenten haal je bij de gemeente waar je staat ingeschreven. Na een stressvolle busreis ren ik nog net op tijd het gemeentehuis in om hijgend mijn verhaal te doen bij de betreffende baliemedewerker die me na navraag bij haar afdelingschef weet te vertellen dat ze me ‘niet kan helpen’. Wablief?

Het in de avonduren aanvragen van nieuwe identiteitsdocumenten strookt namelijk niet met de procedures die binnen de gemeente Amsterdam gangbaar zijn, zo wordt mij uitgelegd met een blik dat-iedereen-zoiets-toch- zou-moeten-weten. Mijn maag keert zich om en door mijn hoofd schieten gedachten die de AIVD wel zouden moéten alarmeren over hoe deze pennenlikkers hun dood ingejaagd moeten worden. Een in onberispelijk pak gestoken bureauman die blijkbaar de chef is hier bemoeit zich ermee en legt me op kille, procedurele toon uit dat het niet de bedoeling is dat ik hier moeilijk kom lopen doen. Moeilijk? Doen? De verpersoonlijking van alles waar ik een hekel aan heb staat hier voor me en technisch gezien heeft hij gelijk. Procedures über alles. Een half dozijn boze blikken schieten over en weer en uiteindelijk loop ik briesend en een aantal kleurrijke verwensingen door deze ambtelijke omgeving brullend het gemeentehuis uit om een peuk te roken zoals nog nooit iemand een peuk heeft gerookt in de geschiedenis van de mensheid. Dit terwijl ik breed glimlachend denk aan hoe ik de kleindochters van de betreffende bureaucraat met groot genoegen voor zijn ogen zou vierendelen.

Even eerlijk tussen jou en mij, bovenstebeste bureauman. Jouw leven en mijn leven hebben verdacht weinig gemeen. Van jouw procedures keert mijn maag zich rustig nog een keertje om. Ik mag jou niet, en jij mag mij waarschijnlijk evenmin. Maar wel heel erg jammer dat de dingen die jij doet veel invloed op dat leven van mij hebben. Ontsnappen aan het web van Bureaucratia. Onmogelijk. Emigratie gaat steeds zinniger klinken hoe langer ik er over nadenk. Naar één of ander vooralsnog onaangetast land. Uhm. De Noordpool misschien. Voordat de Noren, Russen en Canadezen er een oorlog om beginnen? Zodat ik nog de tijd heb om een bunker van misantropie te graven en ik diep weggekropen in de binnensten van de aarde nors de mensheid kan vervloeken terwijl ik zelfgebrouwen sterke drank naar binnen slurp.