Category Archives: Uncategorized

Woonboot

De hagelbui barst los net op het moment dat ik op een brug loop. Karma is niet mijn vriend vandaag. Schuilen is niet echt een optie, hangende boven woeste wateren tussen Theater Carré en het Amstelhotel. Godverdomme. Mijn strijd met de elementen lijkt nooit te eindigen. De regen gutst naar beneden en tikt gewelddadig tegen de ramen van de woonboten die op het water onder mij dobberen. Ik denk terug aan het jaar dat ik ook op een woonboot woonde. Het geplens maakt me op een vreemde manier sereen. Er is dus ruimte voor nutteloze melancholie. Onze boot lag tussen het riet verscholen en werd bevolkt door studenten en de daarbij horende wietplanten en aankoekende afwas. Op de buitenkant was een palmboom getekend en aan de binnenkant was alles schots en scheef. Ik moest een tafel tegen mijn deur aanschuiven om het ding dicht te houden. Het was heel krap binnen, het was gammel en aftands maar o zo gaaf. Als één van de huisgenoten een meisje over de vloer had kon iedereen daarvan meegenieten en als je met je dronken kop over de loopplank naar de voordeur moest glibberen was dat een levensgevaarlijke onderneming die heel veel bijna-gebroken ledematen heeft opgeleverd. In de winter vroor de waterleiding dicht en als de plee stuk was ging je schijten op de camping honderd meter verderop. In de winter liep je over het water waar je de rest van het jaar op dreef. En er is weinig Hollandser dan van je koffie nippen op een woonboot terwijl de regen zachtjes tegen het raam tikt en je naar weidse verten staart over het water. En er is ook weinig minder Limburgs dan dat.

Heuvels, gezelligheid en een amicale koempelmentaliteit waren daar de kerndingen. Fysiek verval, harde muziek, hardere gezichten en een collectieve in zichzelf gekeerdheid ook. Haat en liefde. Een regio die verloren leek en waar wanhoop woonde in de stegen van de stad. Een pact met de duivel voor een kortdurende roes.

Voor iemand die opgegroeid is in één van de meer beruchte tuigsteden van het land (lees: Heerlen in de late jaren negentig) is het simpele ontsnappen al heel wat. Perspectieven van werkloosheid en drugs drijven je er toe. En dan verhuis je naar het hoofdstedelijke. Naar een woonboot op de Hollandse wateren. Opa en oma zouden dit nooit begrepen hebben. Maar die waren dan ook opgegroeid in tijden van steenkolenwelvaart. Toen was Amsterdam heel erg ver weg. En ook niet eens zo heel interessant. Keulen, Luik en Aken lagen namelijk stukken dichterbij.

Het is inmiddels opgehouden met regenen en ik loop over de Albert Cuypmarkt op weg naar een koffieafspraak. Een visboer schreeuwt iets in het plat Amsterdams terwijl twee Turkse mannen luid lachend in het Turks kennelijk ergens ontzettende lol in hebben, een stel Polen Hollandse kaas koopt en een dikke Surinamer erwtensoep aanprijst. Zo zie ik het graag. Iedereen doet zijn ding en doet dat goed. Iedereen lult zijn taal maar uiteindelijk begrijpt iedereen elkaar. Als ik plat Limburgs in mijn telefoon begin te lullen wekt dat evenmin verbaasde blikken als iemand die Pakistaans tegen zijn moeder spreekt op straat.
Laten we de esthetiek van het multiculturele onheil eens omdraaien. Iemand uit Zuid-Limburg in Amsterdam was voor mijn grootouders best een raar idee. En toch kan het tegenwoordig. Dan moet het met al die andere nationaliteiten ook wel lukken. Toch?

Kafka in de torens

Het is nacht. De wielen van mijn skatebord ratelen over de stoepen van het op dit tijdstip volledig verlaten bedrijventerrein. Een licht nazomerbriesje waait in mijn gezicht terwijl ik een heuveltje naar beneden sjees. Hier en daar brandt één of ander alarmlichtje en in de verte dendert metrolijn 53 door de uitgestorvenheid. Ik skate langs een bankje en krijg zin om daar een sigaret te roken. Mijn peuken liggen thuis. Jammerlijk gemiste kans.

In deze kantoorgebouwen speelt het leven van heel veel mensen zich af. Humanoïde robots in callcenters die hier meestal heel tijdelijk hun brood verdienen en de geketenden die waarschijnlijk ooit ook hebben gedroomd van mooiere dingen in het leven. Anonieme kapitaalstromen dicteren levens geregeerd door rond de wereld flitsende bits en andere abstracties. De vooruitgang heeft ons veel gebracht maar evenveel afgenomen ben ik bang. Een koude rilling doet mijn ruggegraat sidderen en ik kijk op – de eindeloze zwarte nacht in. Dit lijkt helemaal niet op een omgeving waar mensen leven. Dit is een omgeving waar mensen vroegtijdig en vrijwillig beginnen met doodgaan in de catacomben van hun kantoorgebouwen. Hun laatste restje menselijkheid wegspoelend met het zoveelste kopje automaatkoffie. En dat is nog niet eens lekkere koffie. Ik kan het weten want ik werk hier ook namelijk.

Uitdagend prikken de kantoortorens de nacht in. Alsof de mensheid de brute toorn van nieuwe goden nodig heeft. Niemand reageert. De hemel is leeg. Koude sterren waken over de mensheid. Misschien zijn zij ook wel op zoek naar dat laatste beetje menselijkheid in deze waanzinnige race naar de top op dat rotsblokje waarop wij zo’n beetje rondleven. De helft van de gebouwen hier staat leeg. Bedrijvigheid die opgeslokt werd toen het grote Amsterdam de Zuidas begon te bouwen en het kleine Diemen niet meer wist wat ze nou moesten met hun bedrijventerreintjes. Zo werkt het kapitalisme nou eenmaal. De natuur vind het prima allemaal. Een vast ooit bedrijviger pand wordt inmiddels overwoekerd door begroeiing en de konijnen zijn op dit kleine stukje aarde eigenlijk heer en meester.

Ik rust even uit op een stoepje. Nog steeds zonder sigaret. Zittend in het neongroene licht van een met rolluiken gebarricadeerd tankstation rolt een zweetdruppel mijn oog in. Dat prikt. De korte pijnsensatie wekt me uit mijn fatalistische contemplaties. Ik sta op en rol weer voort door het duister van de nacht. Door de donkere betonnen jungle die zijn schaduwen ver naar binnen werpt en mensen kan opslokken om ze nooit en te nimmer meer los te laten. Door de betonnen jungle die voor heel even van mij alleen is.

Chipkaartzombies

Ik voel me een beetje simpel vandaag. Terwijl ik een banaan weghap loop ik, raartwitchend met mijn linkerbeen, een beetje mank over het metroperron van station Amsterdam Amstel rond. Daarbij vermoed ik dat je scheel gaat kijken van de hele dag op kantoor zitten en cijfertjes bekijken, corrigeren of invoeren. Het algehele beeld zal dus niet per sé positief geweest zijn op dat moment.

Kijk, die banaan had ik gewoon zin in. Voor dat scheel kijken krijg ik betaald. Maar dat mank lopen. Vanwege spontane OV-chipkaartweigering was ik vanochtend gedwongen met een lenige sprong over het toegangspoortje het metrostation in te springen. Zeker voor een maandagochtend was die sprong echt heel erg lenig. Echt. Het neerkomen daarentegen, ging wat minder. Vandaar dat rare twitchen. Nou is het sowieso irritant als de technologische vindingen die ons dagelijks leven gemakkelijker moeten maken, ermee ophouden en je spontaan terugverwijzen naar een basaal soort probleemoplossend vermogen. Maar na navraag bij een alleraardigste medewerker van het gemeentelijke vervoersbedrijf – die ik uiteraard niet heb verteld dat ik het initiële probleem heb opgelost door niet te betalen (hij vroeg er ook niet naar trouwens) – wist ik uit te vinden dat er in zo´n chipkaart draadjes, onder de magneetstrip ergens, zitten en dat die stuk kunnen gaan als je het ding in je portemonnee in de kontzak van je broek douwt*. Handig. Daar hangt mijn portemonnee nou eenmaal het best. Zonder als een nostalgische lul over te willen komen, maar met een strippenkaart had je dat gezeik dus niet.

Maar goed. Voor mijn basale probleemoplossende vermogen mij ertoe deed overgaan met de eerder genoemde lenige sprong het metropoortje te trotseren voelde ik me wel een momentje verslagen door de technologie die me kil en onverschillig aanstaarde. Ik moest naar mijn werk godverdomme. Het poortje maakte dat weinig uit. Gezombificeerd zocht ik koortsachtig naar oplossingen. En versloeg het systeem vervolgens. Victorie.

Vreemd. Druk rondbliepend en -haastend over station Amsterdam Amstel had ik een kwartiertje later niet het idee dat de rest van de reizigers hetzelfde geluk had gehad als ik. Ingesloten in een kooi van saldo´s, magneetstrippen, kaartjes en nors kijkende controleurs spoedde de gezwinde massa zich naar waar zij zijn moesten. Ik ook trouwens. Ik was al te laat voor mijn werk, maar had het GVB om de schuld te geven. Daarbij had ik het systeem net weten te verslaan, dus besloot tot een muffinhaalpauze in, jawel, de Appie-to-go. Een plek waar haast tot standaardemotie geworden is. Ik pin en haast maar mee. Dat is zo’n beetje wat van ons verwacht wordt, toch?

Verwacht door wie? Want zijn we allemaal niet een soort zombies, terwijl we ons al pinnend en bliepend voortbewegen, via uitgetekende lijnen, van werk naar thuislaptop en van Appie-to-go naar whatever welke televisieserie populair is op een bepaald moment? Steeds maar verder- en verderlevend in een gevangenis die we zelf in stand houden? Vertel het mij maar. Fuck. Ik trek thuisgekomen na een dag werken ondertussen een biertje open en zet een film aan. Morgen weer een dag.

* Mijn portemonnee (of ´beurs´, zoals wij in Limburg het ding plegen te noemen) in een andere dan mijn kontzak stoppen is geen optie. Sinds mijn studententijd hanteer ik al heel strikt het GTST-schema, ooit aan op een gaar studententuinbierkrattenfeest aan mij uitgelegd door iemand met een zonnebril op en slippers aan die zichelf The Dude noemde. GTST staat voor GELD-TABAK-SLEUTELS-TELEFOON op vaste plekken in je kledij weggestopt zodat je ten alle tijden, hoe bezopen je ook besluit huiswaarts te keren, de echt essentiele dingen nooit vergeet. De rest vind je later wel weer terug. Of niet.

Halve pizza

Het is vroeg in de middag ergens. Ik trek mijn oogleden met de nodige moeite van elkaar en duizel terug de echte wereld in. Ik trek mijn muts van mijn hoofd en kijk even in de rondte. Mijn huis stinkt naar oud bier en ranzige, doorgerookte kleren. Mensen liggen diep in hun capuchontruien gedoken op de grond of op de bank hun roes uit te slapen. Ik neem een slok lauwe en inmiddels van alle koolzuur ontdane cola en kots deze direct weer de plee in. Godsamme. Ik bekijk de schade. Ik plak aan de vloer en overal staan bierblikken of ligt platgestampt voedsel rond. Misschien moet ik even wat opruimen. Na drie dagen zuipen is het allicht wel weer tijd om nog eens te gaan checken hoe het in de buitenwereld ervoor staat. Als je ontbijt dan bestaat uit een halve pizza, een overgebleven shotje tequila en het smoken van wat Hollandse rookwaar, concludeer je al vrij snel weer dat je deze zondag wel kunt afschrijven. Een zes uren durend gesprek over quantumfysica, zenboeddhisme en hardcoreshows vind ik echter ook een vrij nuttige tijdsbesteding als je jezelf steeds dichter bij de één of andere waarheid voelt komen.

Hoge toppen en diepe dalen. Eens even zien. Flitsen van broeierige rokerigheid schieten voor mijn geestesoog langs. We dronken Jägershots van een euro in een overvol met toeristen gevuld rookhok terwijl een zachte miezerregen de Amsterdamse wallen in een onvermijdelijke herfst onderdompelde. Er was iets met een elleboog die iemand temidden van feestende en dansende mensen hard in mijn bek parkeerde die mij even dronken en dizzy deed ronddolen terwijl ik de situatie probeerde te begrijpen. Er was een feestje in een kantoorpand. Er waren paupergoedkope halve literblikken, er was tequila, er waren Corona’s, er werd geblowd en er werd met eten gegooid. De tactisch opgestelde prullenbak lag al na een kwartiertje languit over de vloer terwijl iemand met een American Football-outfit aan zich stond af te vragen of het mogelijk zou zijn om door de muur heen te springen. Flitsen weekend en flitsen feest komen in een bij lange na niet op een chronologische logica gestoelde volgorde mijn dorgerookte brein binnenschieten. Onverstaanbaar gemurmel van dronken filosofen. Zo’n avond dat je de zin van het leven weet te ontrafelen. Maar dat daarna weer snel vergeten bent omdat je kapot bezopen bent en je met futiliteiten bent gaan bezighouden zoals hoeveel gummibeertjes iemand menselijkerwijs in zijn mond kan stoppen.

Soms heb je dit soort excessen gewoon even nodig. Om weer even aan de verantwoordelijkheden van de echte wereld te ontsnappen. Ik stap uit bed en rek me uit. De geur van koffie trekt mijn aandacht. Er moet weer gewoon gewerkt worden. De kantoorrealiteit roept en de bitterzoete chaos van een losgeslagen weekend is per direct richting de in het grote geheel bezien onbelangrijke – maar daarom niet minder interessante pagina’s van de geschiedenisboeken gedirigeerd.

Obsessie

‘Het is niet per sé zo dat ik onverwachte vrije dagen vervelend vind ofzo’, denk ik bij mezelf als ik op een mooie vrijdagmiddag de voorzichtige lentezon in dartel, ‘maar mijn bankrekening begint uit de verte wel alweer hongerig naar me te brullen.’ Ik heb net gewerkt. Of ja. Eigenlijk niet. Ik hàd moeten werken maar mijn laptop besloot in stil protest er mee te kappen. Daarmee het werk dat ik vandaag moest verrichten op het gemeentehuis in Utrecht ook direct onmogelijk makend. Zo zie je maar weer. Het machientje stopt ermee en de mens is per direct gediskwalificeerd tot overbodig prul. Misschien moeten we onszelf onderhand eens uitsterven.

Al huppelend terug naar de trein valt me weer eens iets op. Dat gebeurt vrij vaak. Dat me spontaan dingen opvallen. In dit geval staar ik gefascineerd naar het lint van auto’s dat traag langs trekt. Ik rol een sigaretje en zetel mij op een muurtje langs de straat om het geheel eens rustig te aanschouwen. Ik heb immers alle tijd van de wereld want werken zit er niet meer in vandaag. In elke auto zit een nors kijkend individu omringd door drie lege plekken. Ongetwijfeld stuk voor stuk alle andere weggebruikers vervloekend in hun eigen kleine universumpjes. Soms worden die lege plekken ingenomen door vanuit mijn perspectief in volkomen stilte kabaal makende kinderen. Grappig.

Verder gehuppeld dan maar. Ik loop naar de kaartjesautomaat op Utrecht Centraal en tik op een hip touchscreen in waar ik heen moet voordat ik een elektronische betaling verricht met het stukje plastic dat zich ten alle tijden in mijn portemonnee dient te bevinden. Als ik zo begin te denken tijdens het doen van heel dagelijkse handelingen kan ik een aanval van introspectief filosofisch gecontempleer bijna fysiek dichterbij voelen komen om me in zijn zachte maar obsessieve armen te nemen. Ik loop langs een winkeltje en denk aan het meisje dat daar werkte waar ik ooit nog eens mee gezoend heb op zo’n zomeravond dat alles perfect lijkt onder een schitterende sterrendeken. Een dromerige glimlach breekt door op mijn gezicht. Aanval afgeslagen. Victorie!

Mezelf bij de rest van de nieuwe lepralijers rond de rookpaal voegend kijk ik maar weer een beetje rond. Mijn net afgeslagen contemplatieaanval schopt me frontaal in mijn gezicht als ik de treincoupé inloop en constateer dat IEDEREEN die zich binnen mijn blikveld bevindt met oordopjes in obsessief naar een laptop of een anderssoortig scherm zit te staren danwel als een waanzinnige aap op knopjes zit te rammen. Is dit echt? Ben ik net een film binnengelopen ofzo? Jessis.

Jean Baudrillard had verdomme gelijk. We hebben de realiteit vermoord. Met voorbedachte rade. Terwijl de mij omringende medemensen rondzweven in een hyperrealiteit van bits en schermpjes kijk ik wat rond en constateer dat menselijk contact hier niet gewenst is. Het blonde meisje tegenover me kijkt me geschokt aan als onze blikken elkaar kruisen. Alsof ik een droom heb verstoord. Is myspace echt echter dan de echte wereld ja? De jongen naast me staart nors en obsessief naar het schermpje van zijn IMac, alsof hij is weggeplukt uit een slechte SF film waarin cyborgs een uiterst dubieuze hoofdrol spelen en de filosofische grens tussen mens en machine wordt geëxploreerd. Nou nog een draadje om zijn ongetwijfeld doorgetolde brein in te pluggen in het web der simulacra en de machinedictatuur is helemaal compleet.

Als iemand die fervent aanhanger is van zinloos protest dat niemand opvalt doe ik mijn mp3-speler lekker niét in. Tadam! Maar goed ik ben natuurlijk wel muzikant en had me eigenlijk heel erg verheugd op het luisteren van de nieuwe Alkaline Trio plaat. Op deze manier voelt mijn stille protest zelfs alsof ik er heel hard voor moet vechten. Maar ik, koene strijder die ik ben, weet vol te houden in het heetst van de strijd! Gloeiend van victorie stap ik breed lachend de trein uit en wordt door de voltallige coupé nagestaard alsof ik volslagen debiel ben geworden. Frigging cyborgs. Behalve door een oude man die eng veel op Samuel L. Jackson lijkt. Hij kijkt me breed lachend aan en schijnt als enige andere persoon in deze overvolle stad te begrijpen dat ik net een spreekwoordelijke strijd op leven en dood heb moeten voeren. Of gewoon omdat ik de enige ben die rustig lachend over het perron slentert in plaats obsessief nors kijkend met de banaliteit van de massa meestresst. Niemand zal het ooit te weten komen. Ik geef de voorkeur aan de eerste interpretatie. Ik besef dat ik het slagveld in de strijd tegen de schermpjes en bliepjes weer heb verlaten en de woestijn der dagelijkse beslommeringen ben opgeslopen als ik zonder erbij na te denken mijn OV-kaart uit mijn binnenzak vis en me incheck voor de metro.

Een inval in Irak wordt opeens een stuk begrijpelijker als je de collectieve obsessie met staren naar eentjes en nulletjes in aanmerking neemt en bedenkt hoeveel energie er opgewekt moet worden om dat voor iedereen mogelijk te maken en houden. We zijn met zijn allen schuld aan deze onzin. Ik ook, want ook dit stukje is weggetikt op een heuse computer met een scherm waar ik ten tijde van het schrijven obsessief naar zat te staren. Ik at toen een broodje falafel met sla, dronk Dr. Pepper* en pijnigde mijn brein. Vlak erna ben ik opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben met de trein naar Weesp gekacheld omdat zaterdagavond nou eenmaal bandpractice betekent. Dat zit na bijna acht jaar behoorlijk in mijn systeem ingebakken. Dan weten jullie dat ook.

* Nu vind ik endorsement deals en dergelijke onzin vervelende pogingen van het grote geld om mensen in al-dan-niet-meer-zo ondergrondse subculturen aan zich te binden en bepaal ik wel lekker zelf wanneer ik wat wil eten, drinken of aantrekken. Ik heb ook bizar weinig zin me te laten gebruiken als een levende reclamezuil voor het één of andere grote bedrijf dat zich waarschijnlijk bezighoudt met dingen waar ik eigenlijk faliekant op tegen ben. Maar gezien de obsessief grote hoeveelheden Dr. Pepper die ik de laatste tijd naar binnen hak begin ik zo’n deal toch wel als een serieuze optie te zien. Dr. Pepper drinken is natuurlijk ook simpelweg veel cooler en veel meer punk dan grote broer Coca Cola naar binnen gieten. Daarbij is het recept van Dr. Pepper ouder dan dat van cola. Ik heb het serieus nagezocht.

Thee

Afgelopen zomer zat ik op een mooie vrijdagochtend in een diner in Portsmouth. Zonnetje in de de strakblauwe lucht en halfbekaterde gesprekken over het huisfeest bij Engelse vrienden thuis een nacht eerder. Het was gezellig en de drank vloeide rijkelijk. Halve liters Cider, dronken Engelse skinheads en lompe wijven. En ook nog whiskey geloof ik. Er is niet geneukt bij mijn weten. Voor rijkelijk gevloeide drank hebben Engelsen echter, in tegenstelling tot ons, de Calvinistische zuinigaards die het presteren neer te kijken op alles wat ook maar enigszins naar Bourgondisch leven riekt, een werkbare oplossing. Die oplossing noemen ze op dat eiland English Breakfast. Geniaal. Een bonte mengeling van eieren, toast, bonen, (soja)worst en vooral veel vet valt je kater met zo’n intensiteit aan dat je naast een betonblok in je maag ook een verbazingwekkend katerloze zomerdag cadeau krijgt. Het is weer eens wat anders dan een boterham met hagelslag en een kopje koffie na je door de ochtendspits van de Randstad naar kantoor geworsteld te hebben. Zo’n aanval op je kater is heel fijn als de volgende stap in je roadtrip Londen heet. Wat niet het minste dorp is. Met een oneindig complex tubesystem waarin de Nederlander die de lijn-50-tot-en-met-54-uitgezonderd-lijn-52-metro van Amsterdam gewend is, per direct hopeloos in verdwaalt. Proefondervindelijk vastgesteld. Ik heb daar al meerdere malen hulpeloos rond staan staren.

Op het moment zit ik thuis in mijn appartementje in Diemen-Zuid. Net zoals in het liedje. Als versiertruc werkt het echter verdomde slecht. Maar goed. Het is morgen en ik ben dus zo’n klaphark die ‘s avonds vergeet om brood te halen en zich vervolgens nadat hij in de ochtend uit bed is gerold heel hard gaat afvragen wat hij in vredesnaam moet ontbijten. Ik signaleer een pot witte bonen in mijn keukenkastje. Met tomatensaus. Zou ik ook zo’n echt Engels ontbijt in elkaar kunnen draaien zonder directe hulp vanaf het eiland zelf? Zou het? Tevreden evalueer ik de alleszins redelijke score van een intensieve zoektocht door mijn keukentje: de eerdergenoemde bonen, eieren, een fles ketchup en vegetarische burgers. Kan er mee door, zolang het maar flink vettig wordt. Aan de slag.

Even later neem ik een hap van mijn vegetarische burger en constateer direct dat de goedkoopste sojaburgers van de Appie nog steeds naar karton smaken. Gore meuk is het eigenlijk. Het is dat het consumeren van een dier dat eigenlijk niet dood had gehoeven me nog meer tegenstaat. Anders zou ik op dit moment met het grootste genoegen een nog levend konijn doodbijten en al bloedend mijn keel naar binnen laten glijden. Maar ja, principes. Je moet maar iets over hebben voor de dingen waar je in gelooft, niet dan? En veel ketchup is een oplossing voor alles.

Ik continueer mijn ontbijtje en kijk door wat lectuur heen. In een niet nader te noemen blad over ontwikkelingssamenwerking lees ik iets over ene Fatma die met haar kindje moest vluchten uit de anarchie die Somalië heet. Met een gammel bootje door de Golf van Aden. Naar het nog steeds arme maar tenminste iets minder anarchistische Jemen. Fatma’s kindje krijgt één keer in de twee dagen iets te eten. Dat is niet zo veel.

Schuldbewust staar ik naar mijn bordje met English Breakfast in Diemen-Zuid. De metro dendert langs en meer dan dankbaar neem ik een hap van mijn karton-met-ketchup. Ik denk bij mezelf dat ik me helemaal niet zo druk hoef te maken over het feit dat mijn slechte Diemen-Zuid-versiertruc de afgelopen maanden nog niet heeft gewerkt. En dat goedkope sojaburgers nooit het culinaire hoogtepunt van de dag zullen worden boeit ook geen flikker eigenlijk. Allicht is het af en toe genoeg om dankbaar te zijn om op dit platte stuk wereld geboren te zijn. Een stukje wereld waar je tenminste de keuze hébt tussen onnodig gedood vlees en smakeloos karton. Dat is best oké. We hebben het best goed hier. Niet zo zeuren verdomme.

Gastvrijheid

Het is warm hier. Gistermiddag bereikte het kwik een wel-heel-erg-warme-41 graden Celsius. Ik stap net uit een klein, gedeukt groen busje waarmee ik de afgelopen zes uur vergezeld door dertig andere medepasagiers over stoffige wegen gehobbeld ben. Ik loop door de krioelende massa van mensen en brommertjes die Bamako tijdens de spits is. Bamako is de hoofdstad van Mali. Mali is een derdewereldland en bestaat voor een deel uit bloedje heet Saharaans zand en voor een deel uit tropische Nigerkusten. Het leven centreert zich hier zo’n beetje rond deze levensader die gestaag door de stoffige landschappen van West-Afrika stroomt. Het land is voor het overgrote deel islamitisch. Maar in tegenstelling tot het in Nederland gangbare beeld van enge moslims die zich uitsluitend bezighouden met het construeren van bomgordels en al gniffelend in een tent van kamelenleer sinistere plannetjes uitdenken om de decadente westerse wereldorde omver te werpen, blijken al deze moslims ontzettend aardig en gastvrij te zijn. Keer op keer blijken moslims net mensen te zijn!* Ik krijg waarachtig van alle kanten het idee dat de inwoners daadwerkelijk blij zijn dat je hun land bezoekt. Ook al koop ik weinig prullaria die iedereen aan iedereen probeert te slijten en spreek ik slecht Frans dus versta maar de helft van wat er tegen me aan gebrabbeld wordt.

Voor de gemiddelde Nederlander is gastvrijheid niet iets wat er met de paplepel ingegoten is. Bij aankomst in Bamako wordt direct een extra stel borden de eettafel opgeflikkerd om de net aangekomen reizigers eens goed vol te stoppen met grote hoeveelheden voedsel. Maar kijk uit. Voor je het weet zit je verplicht een paar liter thee achterover te werken om uiteindelijk op een kleedje in een sloppenwijk ergens bij de woestijnrand een pijp aan te steken met een volledig gesluierde maar daarom niet minder slechte grappen makende leeftijdsgenoot. In Holland mag je blij zijn als je een tweede koekje bij de koffie krijgt. Als je al een koekje krijgt.

Terug aangekomen in een tien keer kouder lijkend Amsterdam vind ik een ring naast mijn bed. Ik vermoed van het meisje dat hier vorige week naast me wakker werd. Ik weet nog niet precies of ik haar al mis of niet. Het leven verwart me soms. Ik ga maar boodschappen doen en beweeg mezelf via een goed georganiseerd transportnetwerk naar een goed gevulde supermarkt. In de Appie op de Nieuwmarkt staat een toerist voor me in de rij. Ziet een beetje Spaans uit ofzo. In ieder geval iemand die geen Nederlands spreekt en er uitziet alsof ie het minstens zo koud heeft als ik het nu heb. Uit zijn schouderophalen en niet begrijpende blik maak ik op dat hij niet heeft begrepen wat een ‘bonuskaart’ precies inhoudt en niet volledig snapt dat hij ‘twee euro twintig’ moet betalen. Met een blik alsof het volkomen logisch is hoe ze dit probleem tackled, schreeuwt het kassameisje bij de Appie op de Nieuwmarkt in Amsterdam uit volle borst en met een geërgerde blik in haar ogen tegen de nog steeds onbegrijpend zijn schouders ophalende toerist dat hij ‘TWEE EURO TWINTIG MOET BETALEN! TWEE EURO TWINTIG!!! EN OF IE EEN BONUSKAART HEB!!!! BOO-NUS-KAAHAART!!!’.

Ik schud mijn hoofd van ongeloof en zucht eens heel heel erg diep voordat ik hem uitleg wat er aan de hand is.

Zucht.

Laten we elkaar nu geen kniesoor noemen. We hebben het verdomde goed hier en toch is zeuren op dingen die er niet echt toe doen zo’n beetje de nationale hobby hier bij ons achter de dijken. En het zou voor de gemiddelde Nederlander best eens goed zijn zicht eens een keer niet als een ontzettende zak aardappelen op te stellen. Stelletje kniesoren.

* Let op de Luyendijk referentie waarmee ik probeer aan te tonen dat ik op zijn minst een beetje literair onderlegd ben. Pure imagokwestie natuurlijk. Op het moment lees ik namelijk De-tien-beste-verhalen-van Damon Knight. Geen Luyendijk.