Gastvrijheid

Het is warm hier. Gistermiddag bereikte het kwik een wel-heel-erg-warme-41 graden Celsius. Ik stap net uit een klein, gedeukt groen busje waarmee ik de afgelopen zes uur vergezeld door dertig andere medepasagiers over stoffige wegen gehobbeld ben. Ik loop door de krioelende massa van mensen en brommertjes die Bamako tijdens de spits is. Bamako is de hoofdstad van Mali. Mali is een derdewereldland en bestaat voor een deel uit bloedje heet Saharaans zand en voor een deel uit tropische Nigerkusten. Het leven centreert zich hier zo’n beetje rond deze levensader die gestaag door de stoffige landschappen van West-Afrika stroomt. Het land is voor het overgrote deel islamitisch. Maar in tegenstelling tot het in Nederland gangbare beeld van enge moslims die zich uitsluitend bezighouden met het construeren van bomgordels en al gniffelend in een tent van kamelenleer sinistere plannetjes uitdenken om de decadente westerse wereldorde omver te werpen, blijken al deze moslims ontzettend aardig en gastvrij te zijn. Keer op keer blijken moslims net mensen te zijn!* Ik krijg waarachtig van alle kanten het idee dat de inwoners daadwerkelijk blij zijn dat je hun land bezoekt. Ook al koop ik weinig prullaria die iedereen aan iedereen probeert te slijten en spreek ik slecht Frans dus versta maar de helft van wat er tegen me aan gebrabbeld wordt.

Voor de gemiddelde Nederlander is gastvrijheid niet iets wat er met de paplepel ingegoten is. Bij aankomst in Bamako wordt direct een extra stel borden de eettafel opgeflikkerd om de net aangekomen reizigers eens goed vol te stoppen met grote hoeveelheden voedsel. Maar kijk uit. Voor je het weet zit je verplicht een paar liter thee achterover te werken om uiteindelijk op een kleedje in een sloppenwijk ergens bij de woestijnrand een pijp aan te steken met een volledig gesluierde maar daarom niet minder slechte grappen makende leeftijdsgenoot. In Holland mag je blij zijn als je een tweede koekje bij de koffie krijgt. Als je al een koekje krijgt.

Terug aangekomen in een tien keer kouder lijkend Amsterdam vind ik een ring naast mijn bed. Ik vermoed van het meisje dat hier vorige week naast me wakker werd. Ik weet nog niet precies of ik haar al mis of niet. Het leven verwart me soms. Ik ga maar boodschappen doen en beweeg mezelf via een goed georganiseerd transportnetwerk naar een goed gevulde supermarkt. In de Appie op de Nieuwmarkt staat een toerist voor me in de rij. Ziet een beetje Spaans uit ofzo. In ieder geval iemand die geen Nederlands spreekt en er uitziet alsof ie het minstens zo koud heeft als ik het nu heb. Uit zijn schouderophalen en niet begrijpende blik maak ik op dat hij niet heeft begrepen wat een ‘bonuskaart’ precies inhoudt en niet volledig snapt dat hij ‘twee euro twintig’ moet betalen. Met een blik alsof het volkomen logisch is hoe ze dit probleem tackled, schreeuwt het kassameisje bij de Appie op de Nieuwmarkt in Amsterdam uit volle borst en met een geĆ«rgerde blik in haar ogen tegen de nog steeds onbegrijpend zijn schouders ophalende toerist dat hij ‘TWEE EURO TWINTIG MOET BETALEN! TWEE EURO TWINTIG!!! EN OF IE EEN BONUSKAART HEB!!!! BOO-NUS-KAAHAART!!!’.

Ik schud mijn hoofd van ongeloof en zucht eens heel heel erg diep voordat ik hem uitleg wat er aan de hand is.

Zucht.

Laten we elkaar nu geen kniesoor noemen. We hebben het verdomde goed hier en toch is zeuren op dingen die er niet echt toe doen zo’n beetje de nationale hobby hier bij ons achter de dijken. En het zou voor de gemiddelde Nederlander best eens goed zijn zicht eens een keer niet als een ontzettende zak aardappelen op te stellen. Stelletje kniesoren.

* Let op de Luyendijk referentie waarmee ik probeer aan te tonen dat ik op zijn minst een beetje literair onderlegd ben. Pure imagokwestie natuurlijk. Op het moment lees ik namelijk De-tien-beste-verhalen-van Damon Knight. Geen Luyendijk.

Leave a Reply

Your email address will not be published.