Duisternis in een dal.

Het is een donkere nacht. Nee echt, heel erg donker. Donkerder dan het donkerste zwart donker is. Eén keer eerder zag zo’n donkere nacht. Toen rookte ik een sigaret aan de oever van de Niger op een warme avond in voormalig Frans Afrika. Toen zag ik verre kampvuurtjes oplaaien in de tropennacht. Het was toen vredig in dat land. Tegenwoordig heeft een militaire coup het nagenoeg in een burgeroorlog gestort. Het kan verkeren in de wereld.

Anno nu sta ik dik ingepakt in een berglandschap anderhalf uur rijden buiten de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaator. Ik klem mijn verkleumde handen om een glas wodka en knijp mijn ogen halfdicht. Ik zie sterren die ik nog nooit eerder zag. De hemel kijkt op me neer en de donkere silhouetten van de bergen om me heen verraden een lang vergeten grootsheid. In de verte, in het dal, tuft één enkele auto voort. Een eenzame reiziger in de duisternis. Er bestaan geen afleidingen hier. De auto hobbelt door en een hond blaft. Kennelijk hoort of ruikt hij iets in de ingehouden ademende oerbossen achter me. Ik druk mijn peuk uit in de sneeuw en schuifel terug de berghelling op. Naar mijn tent waar het vuur behaaglijk knettert. Vuur ja. Geen verwarming. Ik heb daadwerkelijk mijn scoutingskills weer moeten opgraven om van blokken hout, krantenpapier en een zak kolen een intens verwarmend inferno te kunnen creëren. Ik wrijf in mijn handen en sla een boek open. Ik hoor niks. Het is even stil als het donker is.

Het was een vermoeiende dag, zeg ik tegen mezelf terwijl het geknetter van mijn zelfgefabriceerde kampvuurtje me in slaap sust. De hond slaat aan. Een beest huilt, ver in het bos. Misschien een wolf. Hier heeft de mens nog niet gewonnen. Hier zijn de sterren nog niet vervuld van toorn. Ik stond eerder die dag op een bergtop. Er lag sneeuw en de wind was guur. Een sluimerend oermensgevoel kwam boven. Een lang verloren gevoel van victorie dat jaren van grijze kantoormuren en monotoon flakkerende computerschermen vakkundig de kop in hebben weten te drukken.

Dit soort kampementen van traditioneel uitziende nomadententen wordt door Mongoolse stadsjongeren vaak gebruikt om een weekend keihard te zuipen. En hard zuipen, dat kunnen ze. Dat is genetisch ingebakken door het eeuwenlang rondtrekken over woeste steppen. Maar wodka tegen de kou is veranderd in wodka tegen de ellende. De hoofdstad herbergt inmiddels de helft van de totale bevolking van dit gigantische land. Maar veel plattelandsherders in de stad zonder dat er genoeg werk is betekent ellende. En armoede. En gigantische megastores. En dikke auto´s en karaokebars. En alcoholisme. Vechtpartijen. Zwerfhonden. En meer karaoke. Die karaoke is wel het ergste denk ik.

De moderniteit roept. Enorme reclameborden beloven gouden bergen. Slechte Koreaanse televisie druipt uit alle gaten en kieren. Goedkope namaak van westerse producten is te koop op straathoeken en in rommelige boetieks. De grondstoffenhandel gaat Mongolië een prachtige toekomst brengen, schreeuwt het reclamebord me toe. Het staat scheef in een hoopje half gesmolten sneeuw aan de rand van een binnenstedelijk getto. Voor de met een fles wodka in zijn hand in slaap gevallen nomade hoop ik echt dat het bord gelijk heeft. Hij hangt op een straathoek van een niet geasfalteerd steegje dat stinkt naar pis en brandende kolen en een modern uitziende boulevard waar verkeersregels niet lijken te gelden. Niemand weet wat er gaat gebeuren als die grondstoffen op zijn.

Dit is een stad vol herders. En de stad is er niet klaar voor. Maar iedereen wil graag een graantje meepikken van het leven dat de moderniteit belooft. Niemand kan nog ontsnappen. En niemand wil dat ook nog. Een Mongoolse jongen vertelt me dat hij best wel bang is dat de toekomst van zijn land wel eens op die van pakweg Nigeria zou kunnen gaan lijken. Een grondstoffenhel. Afgelegen, leeggeschept en vergeten. Maar dan kouder.

Toch gaat iedereen naar de stad. Het eeuwenoude nomadenleven definitief vaarwel zeggend. De kroegen van Peace Avenue zien er aantrekkelijk uit en de bouwprojecten in Ulaanbaator zijn legio. De roep van de moderniteit schalt over de uitgestrekte steppen en de nomaden luisteren. En ik kan ze geeneens ongelijk geven, denk ik als ik bibberend in mijn tent wakker wordt. Het vuur is uitgegaan. Centrale verwarming is een zegen.

Leave a Reply

Your email address will not be published.